Ga met de muis over het plaatje... |
|
|
Verdroging van hoogveen Veengebieden komen van nature voor in de gematigde en koude streken van het noordelijk halfrond, dus ook in Nederland. Het zijn uitgestrekte, natuurlijke, open mosgebieden. Hoogveen ontstaat in een moerassig gebied wanneer afgestorven plantenresten zich opstapelen en een sponzige, vaak metersdikke massa waarin water wordt vastgehouden. De veenmossen zorgen voor een zuur milieu waardoor afbraakprocessen stagneren. Ook de zuurstofarme omstandigheden in het vastgehouden water zorgen daarvoor. Wanneer de veenvorming honderden jaren ongestoord is doorgegaan, ligt het veen hoger dan het omringende landschap. Het hoogveen is voor zijn watervoorziening dan alleen aangewezen op regenwater. De waterspiegel is min of meer onafhankelijk van het omliggende gebied en kan een heel stuk hoger liggen dan de eigenlijke grondwaterstand. Hoogveen kan fluctuaties in neerslag opvangen doordat de ‘spons’ bij veel regen veel water opneemt en bij weinig regen weer iets inkrimpt. (Laagveen werd gevormd onder invloed van kwelwater en/of oppervlaktewater en ligt lager dan het omliggende land). De belangrijkste mossoorten in het hoogveen zijn de veenmossen (sphagnum), levermossen en rendiermossen. Hogere planten komen er niet veel voor: veenbes en lavendelhei zijn de meest karakteristieke. Zonnedauw, eenjarig wollegras en veenpluis zijn ook wel te vinden in het hoogveen. Het meeste hoogveen is verdwenen, samen met de karakteristieke planten- en dus ook diersoorten. Oorzaken zijn ontwatering, ontginning en turfsteken voor brandstof. Door ontwatering in en rondom de hoogveengebieden treden fysische, chemische en biologische veranderingen op waardoor het veen wordt afgebroken, dat is een onomkeerbaar proces. Verlaging van de grondwaterstand zorgt er ook voor dat het hoogveen minder goed in staat is om het opgevangen regenwater vast te houden. Daardoor verandert de samenstelling van het water in het veengebied. Door al deze veranderingen raakt het veen meer begroeid en verliest het zijn open karakter. Vroeger waren er in Nederland uitgestrekte hoogveengebieden in Drenthe, Gelderland, Noord-Limburg en Noord-Brabant, samen zo’n 180.000 hectare. In totaal hebben we in Nederland nu nog maar zo’n 6.000 hectare over.Verdroging door infrastructuur De natte infrastructuur van ons land (sloten rivieren, kanalen, gemalen, sluizen, etc.) draagt bij aan het ontstaan en instandhouden van verdroging. Via dat stelsel wordt het overtollige water weggepompt. Dat doen we zó efficiënt, dat daardoor de grondwaterstand structureel is gedaald in vrijwel het hele land. Ook kanalen die zijn gegraven voor een transportfunctie (dus niet met het oog op ontwatering) hebben een sterke drainerende werking. Ook de droge infrastructuur (wegen, kruisingen, klaverbladen, verkeerspleinen) heeft een effect op de waterhuishouding. Neem alleen al het totale oppervlak aan wegen in ons land. Alle neerslagwater dat op die wegen valt, kan niet in de bodem infiltreren en wordt afgevoerd. Om te voorkomen dat er wateroverlast ontstaat in de lagere delen van die infrastructuur, wordt al het water snel afgevoerd. Dit heeft als voordeel dat de verontreiniging van het verkeer (olie, lood, metalen) niet in de bodem terecht komt. Maar door de extra afvoer van water rond de infrastructuur daalt het grondwaterpeil in de omgeving.Nat en toch verdroogd? In veel Nederlandse plassen vinden we kenmerken van verdroging. Dat heeft te maken met de herkomst van het water. Veel plassen, meren en vennen werden van oorsprong gevoed met grondwater. Het water in plassen, meren en vennen had daardoor een specifieke gebiedseigen samenstelling en bevatte daardoor een specifieke eigen variatie aan planten- en diersoorten. Door ingrepen in de waterhuishouding en door waterwinning komt het grondwater vaak niet meer in de plassen, meren en vennen. Daardoor zijn veel vennetjes in het oosten en zuiden van ons land opgedroogd. Op andere plaatsen zijn de plassen, meren en vennen wel in stand gebleven, maar worden ze gevoed met bijvoorbeeld rivierwater dat van elders wordt aangevoerd (gebiedsvreemd water). Dat water heeft een andere samenstelling dan het grondwater. Daardoor verandert de oorspronkelijke variatie in planten- en diersoorten. Het gevolg is dat bijzondere plantensoorten plaats maken voor meer algemene en overal dezelfde soorten en vaak grote hoeveelheden algen blijven bestaan. Drijvende waterplanten en een rijke oevervegetatie zijn verdwenen of aanzienlijk achteruitgegaan.Waar is het in Nederland verdroogd? 1110Normalisatie van rivieren en beken In het belang van een goede afvoer van het overtollige water en ook in het belang van de scheepvaart, zijn de afgelopen eeuw tal van natuurlijke wateren ‘genormaliseerd’. Dat houdt in, dat de oevers rechtgetrokken en zijn vastgelegd zijn, zodat er geen bochten (meanders) meer konden ontstaan. Zo kende Drente een eeuw geleden nog honderden natuurlijke beken en beekjes. Op dit moment zijn er vrijwel geen meer in hun natuurlijke toestand. Die normalisatie hield nauw verband met de ontginning van de heide en veengronden in die provincie, waarbij een goede afwatering van groot belang werd geacht. Het was toen de bedoeling dat het gebied droger werd. Dat is gelukt! Men kon niet bedenken, dat diezelfde droogte nog geen honderd jaar later als een ernstig natuur- en milieuprobleem zou worden gezien.Verdroging in beekdalen Een beekdal is een bijna onzichtbare, glooiende vallei met een, vaak verborgen, beekloop. Beekdalen komen in de hoger gelegen delen in het oosten en zuiden van Nederland voor. Een beekdal heeft een rijke schakering aan leefgebieden voor planten en dieren. Dat komt door de geleidelijk overgangen tussen waterloop en oevers en door de verschillen in waterhuishouding en bodem. In combinatie met een bepaald agrarisch gebruik dat eeuwenlang op dezelfde manier werd uitgevoerd (bijvoorbeeld maaien) heeft dit geleid tot een grote soortenrijkdom in de beekdalen. Een van de kenmerkende ecosystemen in beekdalen is het vochtige blauwgrasland, met soorten als blauwe en blonde zegge en tandjesgras. Uit oogpunt van natuurbescherming zijn blauwgraslanden erg waardevol vanwege het grote aantal kleine en fijngebouwde plantensoorten die er voorkomen zoals vlozegge, parnassia, blauwe knoop en verschillende orchideeënsoorten. Door vergaande drainage en lagere waterpeilen in de omgeving, door verzuring en door vermesting is het areaal aan blauwgrasland de afgelopen eeuw met 99,9% afgenomen. Ook de andere ecosystemen in de beekdalen zijn door verdroging aangetast, zoals de beken zelf, zegge- en rietmoerassen, broekbossen en andere beekbegeleidende graslanden, zoals dotterbloemhooilanden. Verdroging heeft het karakter van de blauwgraslanden ernstig aangetast. De kenmerkende vegetatie is verdrongen door een uitbreiding van grassen, zuurminnende soorten en bijvoorbeeld Pitrus. Ook is bijvoorbeeld de aan blauwe knoop gebonden moerasparelmoervlinder uit de Nederlandse beekdalen verdwenen.Naaldbossen en verdroging Bij een regenbui zakt een deel van het regenwater in de bodem, een ander deel verdampt. Hoeveel regenwater verdampt is afhankelijk van de aard van de begroeiing. Op gras blijft minder water liggen dan op een loofboom omdat de loofboom veel meer bladoppervlak heeft. Daardoor verdampt er van die loofboom meer regenwater dan van het gras. De aard van de begroeiing is dus direct van invloed op de hoeveelheid regenwater dat de in grond zakt en uiteindelijk grondwater wordt. Verdamping heeft te maken met twee factoren: verdamping van het regenwater dat op de begroeiing valt (interceptie) en verdamping van het water dat de begroeiing gebruikt voor groei (respiratie). Naaldbomen zijn het hele jaar groen en hebben een groot bladoppervlak (door al die kleine naaldjes). Verondersteld wordt dat naaldbomen daardoor gemiddeld meer verdampen dan bladverliezende loofbomen. Uit onderzoek blijkt, dat die relatie niet zo eenduidig is als werd verondersteld. Nader onderzoek moet uitwijzen in hoeverre de keuze van de begroeiing kan helpen de verdroging tegen te gaan. Naaldhout hoort van nature niet in het Nederlandse landschap thuis. De meeste naaldbomen zijn aangeplant om zandverstuivingen tegen te gaan. Oorspronkelijk hadden hoge zandgronden veel meer het karakter van uitgestrekte heidevelden, laag struweel en zandverstuivingen. De verdamping was er veel lager en er infiltreerde veel meer regenwater in de bodem. De bijdrage van naaldbossen aan verdroging is vanuit deze redenering dus aantoonbaar.Verstedelijking en verdroging In stedelijk gebied is ca. 40% van het oppervlak verhard (wegen, daken, parkeerplaatsen). Daardoor kan regenwater niet in de bodem zakken. Het meeste regenwater wordt daar afgevoerd naar oppervlaktewater of via de riolering naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi). Het grondwater wordt dus minder aangevuld waardoor er lage grondwaterstanden kunnen optreden, ook in de wijdere omgeving van de stad. Dit komt bovenop de toch al lage grondwaterstanden die in de stad worden gehanteerd om kelders en kruipruimten droog te houden. Veel oude huizen in steden zijn gefundeerd op houten palen. Door lage grondwaterstand kunnen de koppen van die palen boven water komen. Dan kan er zuurstof bij, waardoor ze gaan rotten. Dat kan tot grote schade leiden.Verdroging van laagveen In de lage delen van ons land, Holland, Utrecht, Friesland en noordwest-Overijssel, waren uitgestrekte laagveenmoerassen te vinden. Het veen is daar gedurende honderden jaren gevormd doordat plantenresten in de natte en zuurstofarme moerassen niet of nauwelijks werden afgebroken. Laagveen werd gevormd onder invloed van kwelwater en/of oppervlaktewater. (Hoogveen werd gevormd onder invloed van regenwater en ligt vaak hoger dan het omliggende land.) Er is van oorsprong een rijke landschappelijke variatie in laagveengebieden met veel planten- en diersoorten: alle soorten begroeiing tussen open water en bos, met bijvoorbeeld zeggesoorten, orchideeën en veenmossen. Aan laagveenmoerassen gebonden diersoorten zijn: de grote vuurvlinder, de zwarte stern, de bruine kiekendief, purperreiger, roerdomp, aalscholver en de karekiet. Zoogdieren gebonden aan laagveengebieden zijn de noordse woelmuis, de waterspitsmuis en de otter. Veel van de door turfwinning ontstane plassen zijn drooggemalen en omgevormd tot weidegrond. Dit veranderde de stroming van grond- en oppervlaktewater, waardoor de ecosystemen verarmden. Het grondwaterpeil in de gebieden is verlaagd, waardoor ‘s zomers tekorten aan water kunnen ontstaan. Ter compensatie wordt water uit andere gebieden ingelaten, doordat dit water voedselrijker is ontstaat er vermesting . Bovendien worden de vegetaties nu meer gevoed door regenwater dan door kwelwater. Regenwater veroorzaakt verzuring, met een verarming van de soortensamenstelling tot gevolg.Paalrot als gevolg van grondwaterstandsdaling Ook voor de stad kan daling van grondwaterstanden ernstige gevolgen hebben. In oudere binnensteden zijn de huizen vaak gebouwd op houten funderingspalen. Wanneer het grondwaterpeil onder de bebouwing daalt komen de paalkoppen boven het water uit die jaren- of zelfs eeuwenlang onder water hebben gestaan. Er komt dan zuurstof bij en de palen kunnen verrotten. Deze paalrot kan leiden tot verzakking en beschadiging van de huizen. Er zijn mogelijkheden om dit effect tegen te gaan, maar die zijn heel kostbaar. Ook in de oudere binnensteden is het daarom belangrijk het oorspronkelijke waterpeil te handhaven.Grondwateronttrekking voor drinkwater Jaarlijks wordt in ons land zo’n 750 miljoen m3 grondwater aan de bodem onttrokken voor drinkwatervoorziening. Dat gebeurt in ca. 250 pompstations verspreid over het land. Sinds het einde van de negentiende eeuw werden die pompstations gebouwd op plaatsen waar goed en gemakkelijk winbaar grondwater beschikbaar was. Niet helemaal toevallig waren dat ook vaak gebieden met hoge natuurwaarden, juist vanwege dat goede grondwater. De winning van grondwater kan leiden tot een verlaging van de grondwaterstand en wanneer dat in of vlakbij een natuurgebied is, kan dat gebied verdrogen.Verdroging en vermesting Alle planten, zowel geteelde als natuurlijke, hebben voedingsstoffen nodig zoals stikstof, fosfaat en kalium. Voor natuurlijke vegetaties (zowel land- als watervegetaties) is een teveel aan voedingsstoffen een probleem. In een voedselrijke omgeving op het land gedijen vooral de zogenaamde ‘ruigtesoorten’, zoals brandnetels, riet en grassen, die andere plantensoorten verdringen. In water profiteren kroos en algen van een groot voedselaanbod. In een voedselarme omgeving voelen deze soorten zich veel minder thuis en is er meer ruimte voor andere soorten. Ook kleine, kwetsbare soorten krijgen daar een kans. Een voedselarme omgeving heeft daardoor veel meer verscheidenheid in vegetatie. Water kan te voedselrijk worden (eutrofiëring) door: inlaat van gebiedsvreemd water in tijden van watertekorten (droogte), door verontreiniging van aanliggend land of door verlaging van waterpeil waardoor plantenresten eerder verteren. De waterpeilen in sloten en vaarten worden in het voorjaar kunstmatig laag gehouden, opdat landbouwgronden beter bewerkt kunnen worden. Daardoor hebben watergangen in de zomer regelmatig te weinig water. Om problemen voor landbouw en natuur te voorkomen wordt dan water aangevoerd uit rivieren of uit de polderboezem. Dat water is vaak voedselrijker dan het gebiedseigen water en soms ook vervuild. Door verlaging van de grondwaterstand komt er meer zuurstof in de bovenste bodemlaag, waardoor dode plantenresten sneller worden afgebroken. Daardoor komen meer voedingsstoffen beschikbaar. Sloten kunnen ook verontreinigd raken met meststoffen of bestrijdingsmiddelen afkomstig van het naastgelegen land. Gevolg: overmatige algengroei en kroos. De algen verbruiken alle zuurstof in het water, waardoor de oorspronkelijke water- en oeverplanten geen kans meer hebben. Bovendien nemen het kroos en de algen ook het licht weg, dat is nadelig voor de waterplanten en -dieren. Ook de vegetatie op het land kan gevolgen ondervinden, wanneer de kwaliteit van het grondwater wordt beïnvloed door het slootwater.Land uit water: droogmakerijen, polders, landaanwinning In de 17e eeuw is men begonnen met droogmalen van land, voornamelijk om meer landbouwgrond te krijgen. De steden in Nederland groeiden in die tijd sterk dankzij de bloeiende handel en daarom was er een grote vraag naar agrarische producten. De industrialisatie in de 19e eeuw maakte grotere droogmakerijen mogelijk. Meren werden drooggemalen (polders) en bij de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden en langs de Friese en Groningse kust werd land gemaakt uit de zee (landaanwinning). De bodem van droogmakerijen, polders en aangewonnen land ligt lager dan die van de omgeving. Daarom heeft het water uit de wijde omtrek de neiging om daar naar toe te stromen en als kwelwater aan de oppervlakte te komen. Dat toestromende water moet permanent uit het gebied worden gepompt om te voorkomen dat het weer onder water komt te staan. Dat gebeurt via een stelsel van greppels, en sloten. Door gemalen wordt het water uitgelaten op de boezemvaarten om te worden afgevoerd naar zee. Door die permanente bemaling worden grote hoeveelheden goed grondwater aan de omgeving onttrokken, wat leidt tot lagere grondwaterstanden. Een extreem voorbeeld zijn de IJsselmeerpolders. Die liggen relatief erg laag ten opzichte van het ‘oude land’ en beslaan bovendien een enorm oppervlak. Daardoor wordt het kwelwater afkomstig van de Utrechtse Heuvelrug aangezogen naar Flevoland, waardoor het niet langer beschikbaar is voor het Vechtplassengebied. Dat gebied zou droog komen te staan wanneer niet uit andere bronnen voor aanvulling werd gezorgd. 25 % van Nederland ligt beneden zeeniveau (tot bijna 7 meter!). De bodem van polders en droogmakerijen daalt door de voortdurende ontwatering waardoor de bodem inklinkt, en het veen verteert. Daardoor moet er nog meer water weggepompt worden, waardoor de bodem verder daalt...Verdroging in de duinen In de duinen werd verdroging voor het eerst zichtbaar en als probleem gezien.De duinen vormen maar 0,8% van Nederland, maar herbergen 64% van onze flora waarvan 9% alleen in de duinen voorkomt. Oorspronkelijk was ongeveer één derde deel van de duinen nat (natte duinvalleien). Het regenwater werd er maar langzaam afgevoerd en er liepen veel beekjes (duinrellen) vanuit de duinen naar de achterliggende polders. In die natte delen van de duinen waren bijzondere plantensoorten te vinden als bijvoorbeeld parnassia, slanke gentiaan, knopbies en verschillende soorten orchideeën. Nu is een derde van de natte duinen in ons land verdroogd en zijn veel plantensoorten verdwenen. Dat is gekomen door winning van drinkwater en door de manier waarop we omgaan (omgingen) met de duinen als zeewering. Vanaf 1853 wordt er drinkwater gewonnen in de duinen. Onder de duinen bevindt zich een grote ‘bel’ aan zoet grondwater. Dit zoete grondwater is erg geschikt als drinkwater voor de grote steden in het westen van het land. Naarmate die steden groeiden, steeg de drinkwaterbehoefte. Er werd meer water onttrokken aan de duinen dan de regen kon aanvullen. Plantensoorten verdwenen. Vanwege de drinkwatervoorziening ging men rond 1950 het grondwater in de duinen aanvullen met rivierwater. Het rivierwater is van een andere kwaliteit en bevat(te) veel verontreinigende stoffen. Deze stoffen blijven achter in het zand. De grondwaterstand is daardoor (plaatselijk) wel weer gestegen, maar door de veranderde kwaliteit keerden de bijzondere plantensoorten niet massaal terug. Geen verdroging door te weinig water dus, maar door de verandering in samenstelling. Natte duinvalleien zijn ontstaan doordat de duinen vanouds heel dynamisch waren. De westenwinden veroorzaakten veel zandverstuivingen, waarbij stuifkuilen ontstonden. Het stuiven hield pas op bij natte duinvalleien. Tegenwoordig hebben de duinen een belangrijke functie als zeewering. Daarom hebben kustbeheerders decennialang alle verstuivingen in het duingebied geweerd door de aanplant van helmgras en andere planten die het zand vasthouden. Nieuwe natte duinvalleien kunnen daardoor niet ontstaan, dit heeft bijgedragen aan de verdroging. De laatste jaren gaan er steeds meer stemmen op om, waar dat kan zonder gevaar voor de zeewering, de natuurlijke dynamiek van het duinlandschap terug te laten keren. Waterkringloop Het water op onze aarde raakt nooit op. Het is een kringloopproduct dat steeds weer wordt hergebruikt. Zeewater verdampt en vormt wolken die naar land drijven, de wolken worden opgestuwd en vallen bij een lagere temperatuur als neerslag op de aarde. Die neerslag stroomt af naar beken en rivieren of infiltreert in de bodem. De beken en rivieren brengen het oppervlaktewater terug naar zee. Ook het grondwater stroomt langzaam terug naar de zee. Verdroging is een gevolg van ingrepen in de waterkringloop. De effecten van menselijke ingrepen in de kringloop zijn moeilijk te doorzien. De ingrepen komen neer op het versnellen van de waterstroom, bijvoorbeeld vanwege ontwatering (lokaal kunnen tekorten ontstaan), het vertragen van de waterstroom, bijvoorbeeld voor de aanleg van een stuwmeer (lokaal kunnen overschotten ontstaan) of het verleggen van de waterstroom, bijvoorbeeld voor winning van drinkwater.Ont- en afwatering voor landbouwgebruik Landbouwgrond kan pas goed bewerkt worden wanneer de neerslag is weggezakt. Om landbouwgronden sneller te ontwateren zijn drainagebuizen aangebracht, oppervlakkig ingegraven buizen met gaatjes. Door deze buizen wordt het water afgevoerd naar greppels en sloten. Dit proces wordt versneld door lage waterpeilen in de sloten. Hierdoor kan de boer al vroeg in het voorjaar met een zware tractor het land op. Door deze ingrepen is het grondwaterpeil onder landbouwpercelen vaak structureel lager dan in de natuurlijke situatie het geval zou zijn. Wanneer in hetzelfde gebied een natuurgebied ligt, dan daalt ook daar het grondwaterpeil. Door lagere grondwaterstanden kan er meer regenwater in het gebied worden vastgehouden. Regenwater is zuurder dan grondwater en bevat mineralen die voor de oorspronkelijke vegetatie niet gewenst zijn. De ont- en afwatering ten behoeve van de landbouw leidt dus tot twee vormen van verdroging: daling van grondwaterstand en verandering van de kwaliteit van het beschikbare water. Ook de landbouw kan hier hinder en schade van ondervinden. Met name in droge zomermaanden wanneer de verdamping het grootst is en het land beregend moet worden. Die beregening kan tot nog lagere peilen leiden, een vicieuze cirkel dus. Daarnaast is de waterhuishouding op agrarische bedrijven vaak zo ingericht dat het laagste liggende perceel optimaal ontwaterd is, waardoor op de hoger gelegen percelen droogteschade ontstaat.Grondwater en kwelwater Grondwater ontstaat door inzijging of infiltratie van regenwater in de bodem. Het stroomt heel langzaam naar zee. Wanneer de bodem overal hetzelfde zou zijn, dan zou er een gelijkmatige grondwaterstroming zijn. In werkelijkheid is de bodem juist per gebied heel verschillend, waardoor het grondwater zich ook verschillend gedraagt. In zandgronden zit veel ruimte tussen de zandkorrels waardoor het water er snel doorheen kan stromen. In kleigrond zit veel minder ruimte tussen de deeltjes waardoor het water er vrijwel niet of maar heel traag doorheen stroomt. En dan zijn er ook nog volkomen ondoorlatende gesteenten in de bodem, waardoor het grondwater een andere weg moet kiezen: het verandert van richting of komt omhoog. Het grondwater boven de bovenste ondoordringbare bodemlaag noemen we ‘freatisch grondwater’. Dat water kun je tegenkomen als je een diep gat in de grond graaft. Het grondwater tussen twee ondoordringbare lagen in noemen we het ‘spanningswater’. Dat water kan niet omhoog of naar beneden, alleen maar vooruit en wordt in zijn stroming belemmerd door de weerstand van de bodem. Dit spanningswater staat onder druk door de aanvoer van nieuw grondwater. Wanneer we een pijp slaan door de bovenste ondoordringbare laag dan komt het spanningswater door die druk omhoog in zo’n pijp. We noemen dat de ‘stijghoogte’. Maar ook wanneer er in de bovenste ondoordringbare laag beschadigingen zitten, komt het grondwater omhoog. Grondwater dat omhoog komt, noemen we ook wel ‘kwelwater’. Door het langdurige verblijf in de bodem en het passeren van allerlei gesteentes heeft dat water een uitstekende samenstelling: het heeft mineralen opgenomen die voor sommige plantensoorten onmisbaar zijn.Verdroging van (natte) heide In Nederland hebben we de droge heidegebieden op de voedselarme zandgronden van Zuid- en Oost-Nederland. We hebben ook natte heidegebieden. Ongeveer 10 % van alle heidegebieden is nat. Deze gebieden hebben oorspronkelijk een grondwaterstand van 20 centimeter tot 1 meter beneden maaiveld. Een kleine daling in grondwaterstand heeft grote gevolgen voor de oorspronkelijke plantengroei als klokjesgentiaan, beenbreek en heidekartelblad. Natte heidevelden zijn goede landbouwgronden. Daarom zijn deze veel meer ontgonnen dan de droge heiden. De nog bestaande natte heide is door verdroging ernstig aangetast, ongeveer een kwart verkeert nog in redelijke tot goede staat. Vroeger bleven natte heidegebieden tot ver in het voorjaar vochtig. Maar de afgelopen eeuw is door de ont- en afwatering van landbouwgebieden ook het winterwater in de natte heidegebieden snel afgevoerd. Gevolg: verdroging. Verdroging, maar ook de zure regen heeft geleid tot vergrassing van de heide. Door een gesloten dek van grassen, bijvoorbeeld het pijpenstrootje, hebben de lage plantjes weinig kans meer. Kenmerkende vlinders als het gentiaanblauwtje en amfibieën als de heikikker nemen in aantal af. Verdroging verergert bovendien de verschijnselen van verzuring en vermesting.Verdroging van de natuur in Nederland Door verdroging neemt het aantal planten- en diersoorten in natuurgebieden af en maken bijzondere plantensoorten plaats voor meer algemene. Het wordt ‘saaier’. Er verdwijnen talloze insecten die van bepaalde planten afhankelijk zijn. Daardoor wordt ook het aantal insectenetende vogels minder en daarmee het aantal prooien voor roofvogels. Ook reptielen, amfibieën en sommige zoogdieren worden in hun voortbestaan bedreigd. |